Prestige Carguide is een gloednieuwe website waar je naast alle informatie over nieuwe sportwagens, young- en oldtimers ook spannende verhalen vindt over auto’s en autosport. Prestige Carguide is ook jouw website, waarop jij je verhaal kwijt kan.

Catching up with Fast and Furious op Vlaamse wijze

  • In 1935 is België het eerste land na Duitsland dat een autosnelweg aanlegt
  • In 1946 raast een Brit aan 255 km/u in Jabbeke richting record.
  • Het prototype van de latere Jaguar E-Type haalt 287 km/u.

2 maart 2013. Op een afgesloten weg in de buurt van Jabbeke jaagt de Britse autocoureur Andy Wallace zijn gloednieuwe Jaguar F-Type V8S richting horizon, die vandaag net iets te dichtbij is.
Jaguar bereidt de internationale lancering van de gedoodverfde opvolger van de legendarische E-Type voor en vond het een goed idee om nog eens af te zakken naar West-Vlaanderen om er én de nieuwe auto te tonen én nog eens stil te staan bij de prestatie van testrijder Norman Dewis, die op 20 oktober 1953 in een aangepaste XK 120 aan meer dan 174,20 mijl per uur of 275 km/u over de snelweg donderde. Als eerbetoon aan zijn voorganger, heeft Wallace die dag ook een opdracht meegekregen: haal een topsnelheid van 180 mph (288 km/u). De winnaar van de 24 uur van Le Mans in 1988 slaagt net niet in zijn missie. Bij 179 mph stopt de klok. De chauffeur van de gloednieuwe F-Type heeft één goed excuus : hij had amper drie kilometer om zijn ding te doen, Dewis kon de duivels van zijn XK 120 over vijf mijl of acht kilometer ontbinden. “Maar”, merkt de op dat moment 92-jarige Norman Dewis scherp van geest op, “Andy zijn topsnelheid werd slechts in één richting vastgesteld. Om officieel erkend te worden, moet ze in twee richtingen worden opgetekend.”

jabbeke_soapy_sutton

Maar waarom had uitgerekend Jabbeke in die tijd zo’n aantrekkingskracht op recordjagers? Het verhaal begint in het begin van de jaren ’30, wanneer zowel de toeristische dienst als de industrie vraagt om een snelle verbinding tussen Oostende en Brussel. Een autosnelweg die deel zou uitmaken van de eerste trans-Europese verbindingsweg tussen Londen en Istanbul. In 1935 tekent minister Hendrik De Man het besluit voor de aanleg van de eerste autosnelweg in België. Daarmee is België het eerste land na Duitsland, dat start met de aanleg van snelwegen. Op 6 april 1937 wordt de eerste spade de grond ingedreven. De aanleg van de eerste strook tussen Jabbeke en Aalter is begonnen. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zijn 28 van de 104 kilometers kant en klaar : twee keer twee rijstroken heen en terug.
Na de val van het Derde Rijk zijn het niet toevallig de Britten die naar Jabbeke afzakken met hun snelle auto’s. De Britse auto-industrie is nog steeds toonaangevend en de trotse Engelsen willen iedereen laten zien dat zij de snelste auto’s bouwen. Alleen, zij hebben geen autosnelwegen. En een snelheidsovaal als dat van Brooklands blijkt niet langer aangepast aan de steeds hogere snelheden. Vooral de vervorming van de banden is er een gevaarlijk probleem. De snelweg is dus de veiligere oplossing. De eerste die de veerboot richting Oostende neemt, is luitenant-kolonel Goldie Gardner, die in oktober 1946 met een speciale MG aan 255 km/u over het beton tussen Jabbeke en Aalter raast. De toon is gezet. Twee jaar later keert Gardner terug naar Jabbeke met onder de motorkap van zijn recordwagen een experimentele Jaguar-motor, die enkele maanden later zal worden gebruikt in de XK 120, de snelste sportwagen van dat moment.
De typebenaming XK 120 is een hint naar de topsnelheid van de ranke sportwagen. En om te bewijzen dat hij echt 120 mph of 192 km/u kan halen, komt Jaguar eind mei 1949 voor het eerst zelf naar Jabbeke. Voor het oog van de meegereisde Britse journalisten, die in een door Jaguar gecharterde DC3 het kanaal waren overgestoken, geeft testrijder Ron Sutton zijn lichtjes aangepaste XK 120 de sporen. Weggedoken achter het kleine windscherm haalt Sutton de fabelachtige topsnelheid van 212 km/u. Maar ook met een gewone voorruit en het dak dicht passeert de sportwagen de vooropgestelde kaap van 120 mph. Het overtuigde Britse journaille haast zich naar de DC3. Ratelende schrijfmachines overstemmen het lawaai van de vliegtuigmotoren en de dag nadien puilen de Britse kranten uit van lofzang aan hun nationale trots.

jabbeke_soapy_sutton_hkv500

Bij Jaguar hebben ze de smaak nu goed te pakken. Omdat het weinige verkeer op de autosnelweg gemakkelijk kan worden omgeleid, zijn de bevoegde instanties zeer inschikkelijk en volstaat het om enkele dagen op voorhand te verwittigen om de snelweg te laten afsluiten voor snelheidstests. Zo gebeurt het dat Jaguar in september 1952 terugkeert naar Jabbeke voor enkele snelheidstests met de wegversie van de C-Type-racewagen. De auto, bestuurd door de jonge testrijder Norman Dewis, haalt in de kletterende regen een topsnelheid van 229 km/u.
In het voorjaar van 1953 breekt de snelheidskoorts echt uit. Op 1 april plant Jaguar tests met maar liefst drie auto’s : een MK VII-limousine, een XK 120 en de C-Type waarmee Dewis een jaar eerder zijn Jabbeke-debuut maakte. Het wordt een triomftocht. Met meer dan 190 km/u wordt de MK VII officieel de snelste berline ter wereld en de XK 120 gaat 16 km/u sneller dan in 1949. Alleen de C-Type, waarmee Dewis 240 km/u wilde halen, stelt teleur. Daarna blijft het een tijdje stil in Jabbeke, tot er op 2 oktober een Spaanse vrachtwagen stopt. In de vrachtruimte zit een bloedmooie Pegaso V8 Z.102, een dure en exclusieve sportwagen waarvan er uiteindelijk 125 zullen worden gebouwd. En de Spanjaarden slagen, waar de Britten faalden : de Pegaso kroont zich met 241,6 km/u tot snelste sportwagen van het moment.

jabbeke_xk120_soapy_sutton

Het antwoord van Jaguar laat niet lang op zich wachten. Precies 18 dagen later staat een getransformeerde XK 120 klaar om het record van Pegaso van de tabellen te rijden. “Het was dezelfde auto als diegene die we in april hadden gebruikt. Alleen was hij lichter en had hij minder lucht- en rolweerstand”, vertelt Dewis. Onder leiding van aerodynamicaspecialist Malcolm Sayer, die op dat moment volop bezig was met de ontwikkeling van de E-Type, was het gladde koetswerk van de XK 120 nog wat strakker getrokken. De achterwielen waren ingekapseld, de passagiersplaats was afgedekt met een metalen plaat en de coureur werd onder een stolp geplaatst. De aanblik van de zwarte recordwagen doet me terugdenken aan mijn allereerste ontmoeting met de legendarische testrijder. Ik kwam net met veel moeite uit een XK 120 gekropen, toen een klein, oud mannetje met een geamuseerde blik beleefd informeerde wat het probleem was. Dat ik bijna in kleermakerszit achter het stuur zit, antwoordde ik met een pijnlijke grimas. “Oh, daar heb ik nooit problemen mee gehad. Alleen met de hoofdruimte”, gierde het mannetje, dat zich voorstelde als Norman Dewis, testrijder. Wat volgde was het verhaal van de canopy. “ Op zoek naar een zo laag mogelijke luchtweerstand had Malcolm Sayer alles zeer nipt bemeten. Zo nipt dat zelfs ik met mijn hoofd tegen de canopy zat. Omdat ik zo onmogelijk kon rijden, werd de stoel er uitgehaald en moest ik op een schuimrubber mat gaan zitten. Dat scheelde hem enkele centimeters in de hoogte, maar comfortabel was anders. Toen ik me daarover beklaagde, kreeg ik als antwoord : niet zeuren Dewis, je moet maar één mijl rijden.”

jabbeke__#1_xk120_mdu524

Het verhaal van de canopy illustreert hoe er toen werd gewerkt. Want er was niet alleen het probleem van de zitpositie. “Omdat er maar even op en af moest worden gereden, was er niet gedacht aan de verluchting van het interieur. Tijdens de eerste testrit kreeg ik het al op de heenweg vreselijk benauwd. Het werd bloedheet onder die stolp en omdat de canopy alleen maar van buitenaf kon worden geopend, besloot ik om over het gras een U-turn te maken en terug te keren naar de mecaniciens. Toen ik eindelijk bij hen kon stoppen, snakte ik naar adem. En het enige wat die grapjassen konden zeggen was : wat is er aan de hand Dewis, je bloost zo?”
Met enkele extra luchtgaten in de auto, kon er eindelijk aan de echte recordpoging worden begonnen. Wanneer het Jaguar-team de ochtend van 20 oktober naar de snelweg rijdt, zijn de weersomstandigheden ideaal. Het is windstil, er is een luchtvochtigheid van 90 % en er is een zichtbaarheid van meer dan twee kilometer. Maar bij een eerste run merkt de coureur dat hij iets meer aanloop nodig heeft, voor het gechronometreerde deel van het parcours. Omdat er in Engelse maten wordt gemeten, wordt twee mijl extra afgesloten. Om 8u28 is het zo ver. Dewis verdwijnt in de richting van Gent en drijft de motor van zijn bolide tot het uiterste. Hoewel de rode zone bij 5.700 toeren begint, klimt de naald van de toerenteller bij de heenrit tot 6.200 toeren. Tien minuten later op de terugrit leest Dewis 6.300 toeren af. Gewonnen, denkt hij. Tot hij, wanneer hij de auto tot stilstand heeft gebracht, het bezorgde gezicht van teambaas Lofty England ziet. “Wat is het probleem Dewis, je bent trager dan de Pegaso, beet England me toe. Ik wist niet wat ik hoorde. Dat kan niet, ik heb de motor tot 6.300 toeren getrokken, reageerde ik wanhopig. Dan scheelt er iets met de toerenteller, concludeerde England. Er viel een stilte. En terwijl ik me nog volop zat af te vragen wat er kon misgegaan zijn, begon de hele ploeg te lachen. Dewis, je hebt net 172,4 mph gehaald (meer dan 275 km/u), bulderde England”, lacht Dewis vandaag. “Maar even later in het hotel zag ik een zenuwachtige England aan de telefoon. Hij had Sir William (Jaguar-baas William Lyons, red.) aan de lijn, die eerder koel reageerde. Tot hij door kreeg dat het 172,4 mph was en niet km/u”, giert de miniatuurtestrijder het uit.

jabbeke_#3_xk120_mdu524_norman

Aan het stuur van de nieuwe F-Type is het onmogelijk om de prestatie van Norman Dewis echt naar waarde te schatten. 275 km/u is nog steeds bloedsnel, maar in een moderne auto, die in alle omstandigheden tot het uiterste getest is, weet je dat hij zelfs aan extreem hoge snelheden geen gekke dingen gaat doen.
Dat was vroeger anders. Dat illustreert auteur Paul Skilleter in zijn lijvige biografie van Norman Dewis. Skilleter beschrijft hoe aerodynamicaspecialist Malcolm Sayer de recordrun beleefde. Sayer had post gevat langs de snelweg en had afgaande op zijn ervaring dat de rijwind van de op topsnelheid passerende XK 120 hem halfweg het onderbeen zou raken. Toen de uiteengedreven luchtstroom hem boven de knie raakte, panikeerde hij. De XK 120 stond op het punt op te stijgen, zo redeneerde Sayer. Het minste zuchtje zijwind kon fataal zijn? “Ik voelde gewoon aan het steeds lichter wordende stuur, dat er steeds minder contact met de grond was. Maar ik was vooral met de toerenteller bezig”, herinnert de moedige coureur zich, die om 10u20 alles nog eens opnieuw deed en met een klassiek windscherm in plaats van de canopy 270 km/u haalde.

jabbeke_#4_xk120_mdu524

En toen was het de beurt aan het meegereisde XP/11-prototype, dat opviel door zijn aerodynamisch uitgekiende vorm. Helaas was de motor niet in topvorm, wat niet belette dat Dewis een snelheid van 287 km/u liet optekenen. Helaas slechts in één richting, zodat het record niet erkend werd. “De auto is veel stabieler aan hoge snelheid dan de XK 120”, rapporteerde de testrijder. In maart 1961 werd de XP/11 in een verder verfijnde vorm voorgesteld op het autosalon van Genève voorgesteld als de Jaguar E-Type.

jabbeke_norman_dewis_with_xk120